Hadden we alles maar gelaten zoals het stampvol was dit klein vertrek onaangeroerd en zonder reserves geduld- had ik eerder toch begrepen dat schrobben en kwasten meer vertroebelt dan verbleekt wat ijverig gestapeld werd. Mijn ziel eruit -waarom- ik weet dat zelf nog nauwelijks, lijk ik, ontkleed, even waterkoud geworden als de witte ruimte zelf- doorzichtig meer dan naakt schijnt mijn lichaam door dit vertrek dwingender dan ooit de marges van mijn broosheid te markeren.
VERSTERKING

Ik bewaak de ruimte met mijn woorden met mijn lijf, hoewel niets meer dan slechts mijn ene hand verweer zal vormen in een lopende beweging op papier. Het is niet zomaar mijn verzet als achterhoede informant dat hier zijn weerslag heeft- ik registreer slechts afschuw vertaald in samenkracht en hoe zich dat zo overtuigend toont op de plek waarmee ik mij zo onvoorstelbaar sterk verbonden weet.
IK ZWEM WEL
ook al is het water koud ik leef hier en voel de handdoek straks enkel in mijn hoofd ik zwem wel want ik durf nu eindelijk de zomer kan niet wachten zij op mij ik niet op haar ik zwem wel want ik ben er al
WORDING
De wind wast alles schoon breekt de takken van de bomen en gebiedt mij buigzaam te bewegen op haar stroom Meer nog dan voorheen raast zij door mijn hoofd en spreidt haar macht tentoon. Ik ben haar niet langer baas zoals toen ik nog met zeil en lijn kon temmen wat te groot geworden leek Ik geef toe, ik moet wel nu de wind me grijpt, neersmakt en tot inkeer dwingt.
TE GAAN
Deze gele smet is te schel om op te gaan in land- geen wonder dat de pont vanaf de kade elke drie minuten naar de overzijde wordt gespuugd verlost van groen waarnaar het zich niet voegen kan het schip stoort zich intussen aan willekeurig niets- langs de ketting klieft hij wolk en water als was het zoete dikke melk die loom en willoos steeds gestaag haar loop herneemt. Zo schikt alles zich in trage kolken terug in het gareel geen schip, geen brug, geen storm of ongenadig zonlicht breekt dit spel dat consequent toen met nu en straks verbindt naar onbuigbaar protocol. De pontbaas schikt mijn munten nauwgezet: welbeschouwd is hij de zuivere constante die deze discipline enkel wijzigt wanneer beweging tussen land en land verbroken wordt.
DOORGANG
Tussen het hout van de kornoelje zie ik een volkomen gaaf rond gat waardoor de lucht wordt ingelijst: het kan niet en toch is het er- als ik neerkijk om te noteren wat ik zag lost het op alsof het nooit bestond zodat mijn blik in weerwil van mijzelf toch gedragen lijkt door mijn verstand.
SCHOONHEID ZONDER OVERDAAD
is verf op een doek dat in slordige streken vorm geeft aan de contouren van de dag; schoonheid zonder overdaad is taal die vast zal leggen wat onvermijdelijk verloren gaat: een rustige morgen en de roze helleborus die voor het eerst weer bloeit.
STROOMKRING

MEEUWEN IN NAMIDDAGLICHT
Zij cirkelen tussen de huizen over platte daken scheren langs mijn raam in blauw en grijs als waarschuwen zij mij de wolken niet te veronachtzamen Mijn ogen volgen hun lijf dat alles blauw toont in het licht van hun vleugels: scheve dakkapellen, vitrage van ooit, gehavende coniferen- opgetild in hun aanwezigheid. Ineens zijn ze vertrokken krijgt het vale groen weer ruimte de wind vrij spel op deze kille dag.
PLASTIC FANTASTIC
Valleien vol blozend fruit aan het oog onttrokken door een oceaan van glanzend gif dat in strakke diagonalen elke holte vult. Zon geselt de berghellingen rondom, ontneemt haar ogenschijnlijk alle vocht, maar de lome berg is vergevingsgezinder dan ze oogt: ze spuugt haar fruit in kale grond aan stammen uit, haar gebarsten vruchten roerloos in het helle licht, en verleidt mij met de geur van citrus en jasmijn. De dreiging blijkt van bovenaf te komen: wat niet langer loont, wordt schaamteloos verlaten zodat het gif genadeloos met elke nieuwe nachtwind de vallei en wat zij voortbrengt verder zal verstikken.
SCHEEPJESWOL

Zij breit met bijna lege handen een nieuwe trui-
van de oude raakten langzaam draden los
en werd ontrafeld wat behaaglijk was.
Nu zij daar zo volkomen naakt de wol
probeert te vormen breit zij zonder
oud patroon dan eindelijk haar eigen huid.
HERSTELD ONTZAG VOOR ROMANTISCH DWEEPGEDRAG
De regen ruist niet meer maar stort in grote stromen onrust uit over mijn gemoed dat zo verlangt naar gedwongen afstand in de zachte metafoor van dat soms dagenlang gestadig vallend water. Wanneer belandden we voor het laatst in cafés waar laven aan Schubert nog geen schande was en schrijven op papier nog zonder expositie mocht bestaan als noodzaak tot verdieping van de kunst. De regen nu schreeuwt in overdaad om nieuwe grote metaforen; om een taal die bolstaat van de meest verschrikkelijke beelden -kermis pretpark conceptstore museumshop- waarin het uiterlijk vertoon van valse bewondering voor te lichtzinnig kopieerbaar simulacrum zich onvermijdelijk als jaloezie zal openbaren.
OP EEN KRUKJE IN HET BOS
waar het hout zich keert
zit scheppend de grote vrouw;
zij cultiveert het duin
zoals het dat zou willen
zo dat kon
zij ontdoet de aarde van haar winterdek;
herstelt de orde in het groen
dat, alsof het eindelijk weer ademhaalt,
schijnbaar gewichtloos op kan schieten
in hervonden licht.
UITGEMERGELD LAND
Verheven staat aan de rand van het plateau
de Dôme:
zwijgende schuldige van hebzucht en noodzaak;
toonbeeld van overmoed dat schaamteloos roestend
nog juist de betonnen constructie bijeenhoudt.
Na de strijd ligt uitgeput in volkomen stilte
de onrijpe symbiose van stalen lijnen en
in onvoorspelbaarheid gevormd waterbekken-
lijdzaam wachtend op ingreep door mensenhand.

DE ONRUST
vast te willen leggen toont zich
nergens groter dan in de knop
van de magnolia: zij is een belofte,
onbereikbaar, want steevast onbenoembaar.
Verpozing in het beeld dat noopt tot stilstand
tussen broosheid en drang tot volle bloei:
het verlangen de tijdelijkheid te vorderen
is wat het meest begeerlijk lijkt-
maar goddank nog net de hoogmoed voor zal zijn
door het breken van haar knop.
MES

Uit het goede hout gedreven wordt
ontdaan van rot, kever en larve
zachtmoedig beeld gevormd dat
eerder ongezien kon blijven.
Haar scherpe blik behoeft
nog enkel veren om te gaan.
Ik schenk ze haar in volle overgave-
maar wel alleen in taal.
VAART
Op het water wordt zij toch verrast
door het verdriet dat herfst al jaren
in zich draagt: niet de koude,
maar de warmte van november
honoreert herinnering die
zij niet wil- niet nu.
Het is een al te soepel glijden
dat haar zegt dat zij keer op keer
onmachtig achterblijft.
Der Lauf der Dinge spoedt zich voort
en rammelt aan het raamwerk
dat zij zich onbreekbaar had gefopt.
ONDERZOEK
Vijf bomen- drie keer zag ik ze in vol ornaat,
klom ik in mijn hoofd omhoog
bewoog takken en reikte naar hoger lucht;
liet vervolgens mijn oog geruisloos vallen
geleid door blad en licht in
zachte landing zonder kleerscheuren.
Maar toen ik vandaag passeerde,
sneller dan noodzakelijk,
bleken ze ontdaan van alles
dat mij gedragen had: kruin, blad, stam.
Verborgen in de aarde ligt wat blijft-
ik graaf, omdat daar ondergronds en
dwingend kennis ligt besloten
die blad zal dragen door mijn hand.
EN TOCH
Zij vouwt in het geniep papieren vogels doodgemoedereerd en onverstoorbaar naar eeuwenoud model. Ten hoogste vallen zulke vogels zwevend neer. Dan begraaft zij de nog witte vleugels in omgeklauwde aarde; verdrinkt zij hun belofte in gore plassen van vergetelheid- en niemand die nog weet wat het kale vel van vogels echt vermag zolang opgeblazen stof hoger wordt geacht dan vaste grond en zwarte nagelriem.
WHAT A WOMAN MUST HAVE
In het bos is een kamer, kaal maar voorzien van helder ochtendlicht- open ruimte waarop het zicht door geen boom belemmerd wordt. Tot ontzetting van mijzelf kaatst meedogenloos van muur tot muur de reflectie van wat een spiegel schijnt te zijn: het is mijn taal, die daar geworpen wordt- zomaar, alsof ze willoos is en altijd was: in regelmatige verplaatsing voortgezet, blijkt het glas onbreekbaar en de toegang mij ontzegd tot nader order. Het is mijn schuld: verwaarlozing van wat er werkelijk toe doet leidt tot deze taferelen in mijn brein- ik knip het ochtendlicht nu uit, sluit de kamer dan van binnen af. Dit is dan mijn werk. Het volstaat niet als gedicht en breekt de taal niet open met haar klank, maar is voorlopig weer bevrijd.
BROOD VAN DE DAG
vang de zon in je camera
door het raam van de trein
vangt niemand de zon
door de mist
boven bevroren gras
schoonheid laat zich
-o heerlijkheid- niet vangen
door jouw telefoon
verplicht genieten -ha!-
van het moment
dit is de kracht
van ons bestaan:
niet te kunnen vangen
maar onverwacht
gevangen zijn.
HOE TE VERDWIJNEN
onopgemerkt
als zon achter wolken
onaangekondigd
achter de horizon
met een grote truc
[sta ik daar te gissen hoe]
Zo ook verdween mijn vader
maar zonder wolk of horizon
die ruimte laat
om plots weer te verschijnen.
Ik hoor hem steeds nog
zachtaan zingen
[Verdi op vinyl]
maar versta geen woord
van deze laatste truc.
MOS
Onvoorbereid viel een vers mij toe als gunst vandaag
het liet zich evenwel niet eenvoudig vangen
in krachtig beeld, in eenvoud van schone taal waarin
ordening en samenhang blijk geven van een soort van dichterschap-
Waarom wil het mos juist nu genadeloos en ongeremd
groeien alsof er geen onzekerheden zouden zijn;
alles goed zal komen zonder kennis van wat voorlag
en ontzag daarvoor geen blokkade vormt?
Gedrocht van mijn verbeelding dat bomen ontwortelt
in mijn hoofd, de ruimte kaal vreet en opnieuw begroeit
zo schijnbaar zonder schot in deze onvermijdelijke gang:
een vogel in zijn ei dat vandaag in alle kalmte breken zal.
NTRE DME
Dat de hemel in het oosten was
leerde ik te vroeg
gewillig stampte ik daarom
die boodschap ongelovig
-maar zonder aarzelen- tot
hapklare brokken in mijn kop.
voer voor macht zo leek het:
kennis om te imponeren
en te delen.
Maar dat de hemel zelf hier
nog steeds onbereikbaar blijkt
wist ook Chagall allang
en toch
zijn de rode vlekken die zijn licht
hier genadeloos naar binnen gooit
een weg
en sta ik hier opnieuw
met jou
je liet me los
maar greep het rood
dat alles voedt dat ons
nog bindt.
HÖHERE WESEN BEFAHLEN:
uit-spreken is dwang in taal
te moeten duwen om te durven
en nog wordt zij geen helder beeld
schijnt het
zolang de taal onuitgesproken blijft,
zich slechts verwijlt in boek en schrift
spreekt zij luider
schijnt zij
in de virtuele ruimte tussen jou en mij
zijn klank en decibel
een zonde
enkel onuitgesproken doet zij haar echte werk:
imponeert, fascineert en scheurt een wond
die straks genezen zal
tot krachtig teken van de weigering
te spreken met jouw mond
(bij Sigmar Polke, Höhere Wesen befahlen: rechte obere Ecke schwarz malen! 1969)
WAT EEN MOOIE GLAZEN BOL
Treed binnen in dit roemrucht huis
vergeven van onstuitbaar leven.
Taal en lichaam worden hier geworpen
als stuiterballen in de nacht-
giechelschreeuw en lolligheid
stroomt kamers in en uit rollebollen
dikke tranen langs en over
houdgreep rustmoment.
Maar te midden van de chaos vangt
iemand her of der wel eens een bal
er is een leemte in dit
ongeleid lawaai:
voor wie geduldig vastberaden luistert
naar wat zich achter krakend hout
en losgelaten pleister ook ophoudt,
weet: hier wordt dagelijks groei bereid.
Treed binnen, goedgeluimd en tot
de tanden toe bewapend graag;
olijk, liefdevol en met moed bekleed,
in onze grote glazen bol
waar toekomst blaakt.
HOMO ECONOMICUS
Dikke lagen streng bemeten zwart
strijken neer op mijn sinds
lang geen blanco blad:
geen dunne lagen
-behoedzaam opgezet- zodat
wat onderligt nog lichten kan.
Mijn nagels krabben pulken
klauwen: niets zo onverbiddelijk
als acryl in haar uiteindelijke staat
van zijn.
Ik vul mijn nagels met het plastic onheil
dat in razend tempo droogt;
er is geen houden aan-
tenzij
ik
in verweer
in opstand.
KANT|WAL
Vier glazen bodems sprongen onder
potten bramen uit- dik en paars
als de plekken op mijn benen
en even warm- plakt aan mij
wat als kind oneindig ver
van huis altijd thuis zou zijn:
knotwilgen stomp en laag langs sloot en dras
soppend gras en klei die eetbaar leek:
met stok en tak verrezen zo paleizen
wolk voor wolk veroverd op de lucht.
Waar het gevaar van nooit meer
huiswaarts keren groter was dan waar-
lieten wij de vrije loop wat uren later
toch weer tembaar bleek.
Zoet en warm schrijnen bij herhaling
deze wonden: pleister ongewenst.
BETRAPT
Het zuchten van de stoel verraadt
aanwezigheid in de kamer boven mij:
de nog ongerichte regels schrikken op
en breken af onder de dreiging van geluid.
Kon ik de treden van de trap afpellen-
zo waande ik mij onbespied en reeg
zonder aarzelen de kralen van het spel
aaneen tot massief geconstrueerde taal.
Maar onder elke zucht, elke stap, rollen
keer op keer de woorden van het tafelblad:
ongenadig spat mijn gebrekkige constructie los
om pas dagen later – misschien.
Waarom toch verdraagt schone taal
geen toeschouwers in haar ontstaan;
alleen in roerloze afwezigheid van ieder
die haar niet verstaat voordat zij is wat zij kan zijn
weef ik haar tot stevig kleed dat het beton
bedekt waarop ik bewegen moet.
PASSIE
Karmijnrood spint zich hier
een draad langs wanden van
het schijnbaar zo doorzichtig wit.
Ze tekent paden af in mijn paleis
van ijs en water dat nog zoveel
onontdekte zalen telt.
Elke kamer die zich smelten laat
weet zich een vreemde nieuwe morgen
met bloemkristal bedekt.
Diep in de wanden heeft zich dan
het brandend rood gevreten
dat altijd broeien zal.
Ik smelt en groei door haar
langs onontgonnen kou
mijn diepste krachten tegemoet.
BLIK
Wilde haren mogen niet getemd in taal van toenwie immers was niet wild en ongeremd voorzag geen grootse toekomst voor zichzelf toch op zijn minst zo nu en dan- maar de voetnoot van de tijd saboteert het toeval en de vordering van het verleden: de afdruk toont de temmer zelf, even onverstoorbaar als op alle foto’s in het boek: zonder beat maar met de hartslag van verwachting die elk vertrek markeert.
FIDES
diepe voren trekt de liefde
door het land
aarde waarin water
behoedzaam stromen zal
tot oergedachte kracht
zij vormt in licht
de gouden draad die
dit verbond voor altijd
deelbaar maakt


